December 2008

Bij een 84 jarige vrouw, die op de afdeling interne geneeskunde is opgenomen, wordt een Hb van 4,3 mmol/l geconstateerd. Er wordt besloten om een erytrocytenconcentraat toe te dienen. Ruim twee uur na start van de transfusie is mevrouw kortademig en klaagt ze over misselijkheid. Zij is ook wat suf, slaperig. De eenheid is inmiddels volledig ingelopen.

De reactie wordt gemeld bij de behandelaar en het bloedtransfusielaboratorium en de gebruikelijke onderzoeken worden verricht.

De melding wordt bij TRIP ingediend voor de categorie “overige reactie”, ernst 1, klinische uitkomst: “geringe restverschijnselen”. De imputabiliteit wordt als “mogelijk” beoordeeld. Biochemie en serologie leveren geen aanwijzingen voor hemolyse op. Het Hb na transfusie is gestegen naar 5,7 mmol/l.

TRIP wil de melding zo goed mogelijk onderbouwen en vraagt of andere categoriën die bij dyspnoe aan de orde kunnen zijn eveneens zijn uitgesloten, o.a. of er de uitslag van een X-thorax aan de melding toegevoegd kan worden. Tevens wil TRIP graag vastleggen waaruit de geringe restverschijnselen bestaan.

Het verrassende antwoord luidt: er waren geen langdurige restverschijnselen, maar wel verlenging van de opnameduur door de reactie. Er waren geen symptomen die een anafylactische reactie aannemelijk maken. X-thorax wijst op volume overbelasting, TRALI wordt uitgesloten geacht.

De melding wordt nu ingediend voor de categorie “volume overbelasting”, ernst 2, klinische uitkomst “volledig herstel”. De imputabiliteit blijft “mogelijk”.

Vragen van TRIP zijn voor sommige melders een bron van ergernis, daarom dit voorbeeld. Het kost even tijd en energie, maar maakt de TRIP registratie uiteindelijk wel veel waardevoller. Daarom dank aan deze conscientieuze melder, die bereid was om de aanvullende gegevens te achterhalen.